Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

naast elkaar, bijna tegen elkaar aan, in gelijke maatgang vereenigd, evenals gisteravond naar Hohwacht, — en 't leek of het wondere weer, na de eerste banaal-gezegde woorden bij 't buiten komen, ze beiden spraak'loos maakte. Duf-heet was het geweest in 't kleine hotelzaaltje, de schermen tegen de fel-brandende zonnewarmte dichtgehouden; ze hadden zich gehaast in 't vrije te raken, — en gehinderd, geërgerd had het wel even, dat ze bij hun heengaan werden nagekeken door oogen die zeien: die twee weten 't met elkaar, ze gaan niet voor niemendal zoo laat in de schemer. Maar och, zij voelden het maar vagelijk, spraken er niet over, en nu opgelucht, blij uit die dufheid te zijn, liepen ze heerlijk-vlug voort in de week-zwoele avond.

Een oude boer, 'n stomp pijpje in de toegeknepen mond, kwam hen tegen, zei gemoedelijkZwitsersch, z'n zangerig-gutturaal: ge-nabend! Kinderen, voor de huizen spelend, ravottend op de groene hellende weiden, staakten hun spel, staarden hen aan met vraag-oogen, om te mogen groeten, vriendelijk-lachend nu ze een knikje kregen. Een Senner daalde rap, de volle melkbus op de breede rug, schonkig-vast van de steil-brokkige hoogten, schokte zwaar voort, floot zijn deuntje, ze glimlachend aankijkend, bijna toelonkend. En zij meen-

I. 15

Sluiten