Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den, dat ieder keek, zich zelf verwonderend over hun vlot tippelloopen, alsof er haast bij was, zoo laat in de avond. Het boschpad liep toch dood en naar Hohwacht ging geen mensch. Maar zij stoorden zich niet aan die vreemde blikken.

In 't bosch hing de dag-warmte nog luw onder de takken-dwarrel, — en boven de boomtoppen sprenkelde het licht van de weggaande zon kleurige glanzen; 't werd tusschen de stammen stil en stemmig, maar niet donker. Anna Paulowna dacht aan de eerste keer toen ze met hem opliep, dacht aan gisteravond toen ze hier ook gingen, maar het denken traagde in haar als al 't zoet herdenken, herhaling van wat bekend is. Zij gingen ras om de zonsondergang niet mis te loopen, gingen langs de bloeiende erika, de breed-pralende varens, de zware rhododendrons, in maar vluchtig zien daarvan, omdat zij die plekjes kenden tusschen het duizendvoud van donkere stammen, waarlangs de lichtglans van de heengaande zon zich neerstreepte, nu in helderder groen kleurend de klimop en slingerplanten om de doffe rulle schors der boomen. 't Zou nu toch een mooie zonsondergang geven!

Van Reelen weidde uit over de refleksen, waarop zij straks moest letten en over de glansvervloeiingen op 't meer, die aan 't wonderbare grensden.

Zijn spreken pakte haar weer, evenals gisteravond;

Sluiten