Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

daar in de diepte lag als een poel van vuur, werd violet, leiglanzig, mauve, kreeg een kleur van gesmolten lood, geheimzinnig glimmend, ging gelijk langzaam over tot een grauwe, vage weving. De zwarte nevels zweefden langzaam hooger, dreven öp en gelijktijdig daalde al meer de zwartende waterspiegel, — nu in loodrechtheid weggezonken.

De bergen schenen zich geweldig zwaar op te heffen, sombere reuzen, die daar zwartend stonden. In de glooiingen groefden zich de boschravijnen, de donkere insnijdingen als levende lijnen, ledematen van de ruwe bergen wereld.

En vlak voor hen kropen nu fantastisch öp de zilvergrijze wilde pijnen, dragend op hun slankekromme stammen de donkere kronen, waarvan de naalden groepsgewijze omhoog stonden als luchters, kandelabers, een grilligheid van slangen, die naar hen toe kronkelden, met geheimzinnige koppen. Beneden bleef alleen te zien, tusschen al die donkere nevels, de groote weg als een smal lint van soutache, dat om 't meer zich slingerde, in 't wittig oplichten de voeten van de bergen nu werkelijk samenstrikkend.

Zij gingen weer zitten. De schemer weefde zich al hooger, weefde zich ook lichtelijk om beiden heen. Aan de overzij van 't nu zwarte meer blonken lichten, het een na het ander snel opvlam-

Sluiten