Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uitstraling van rood zonnevuur op de warmgloeiende daakjes, driehoekig gekant tegen en langs elkaar; de wir-war van bochten en stratenzwenking bekend aan zijn spiedend oog uit den opstand van de enkele licht-sprankende leiendaken : het raadhuis, het oude markiezenhof waarop het gouden vaantje wit-gloeiend te schitteren stond.

Hij zag hem weer zijn grijzen vrind daar! boven al de neergeschurkte daakjes uit, hoog en breed in zijn schonkigen bouw, de klompige bazaltmuren verweerd en ingevreten, afgestormd en kapotgeschoten: de oude grijze kerk. En Toon lachte hel op, zoo na bij zijn stadje dat onder het scheidende zon-vuur laaide. Er was vreugde en blije verwachting in hem. De leste licht-roes kraterde en vlamde óp over de roode daken, de kerk, als een grijs-witte baken in het midden van dat vloeibaar scharlakenrood gekantel, blokte als een onvergankelijke rots omhoog, de leste stralen over de vergulde uurplaten en de zwarte galmgaten waaruit de stem van brons-brommende klokken neêrgalmde over de kleine huiskes, de wijde vlakten en heuvelen langs.

Toon herkende elk dak daar voor hem, zag vol vertrouwen naar ieder bekend ding en bewust toen, als ging hij een veste winnen, stapte

Sluiten