is toegevoegd aan uw favorieten.

Tot het uiterste

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Late' wij nou samen trekken en die jongen achterop — wablief?

— We zalle muziek maken, knorde de geergerde slachter vinnig. Moest zoo'n stuk vleesch voor de menage zijn lekkere koele slachterij warm maken als 'n bakkersoven ! . . . Woedend sloeg hij den zwerm vliegen van zich af, liep de schuur door, nam uit een leeren scheê 'n puntig mes en riep valsch van drift:

— Gif 'm nou de ruimte! vooruit, sultan van Atjeh!... Met 'n sprong rende het gepijnigde beest de slachterij binnen en achter de bits wrokkende mannen gooide kleine Baks snel de poorten toe. Nog een prik en de stier stond op stal, de flanken zwoegden en rillingen doorschokten het groote lijf. Toen bonden de slachters de ijzeren ketting aan de krib vast en stonden hijgend, afgebeuld, naar het dier te kijken. Luid rekkend geloei daverde door den stal en rinkelend schampte de ketting door den ring.

— Twee van die merakels in veertien dagen tijd — 'k dank God, dat 'k nog leef, zuchtte Hendrik. Hij stapte naar de pomp, deed een paar krachtige slagen en nam den gevulden emmer mede naar het binnenplaatsje achter den stal dat al blauw schaduwde, wijl alleen hoog er boven nog de zon goudend licht baande.