Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

volk trok met ploegen de smalle binnenwegskes door. Al dichter naderden ze den Raaiberg vlak bij Kruisland waar het boerenbedrijf reeds volop aan den gang was. Rinkelend kletterden de emmers, wagens met blik-glinsterende melkbussen reden hen voorbij, knechts en meiden haastten zich naar de wei om de zacht loeiende koeien te melken. Vlak bij de hofsteê was de oudste zoon van Cornelissen al bezig de roomgele zacht-bollende uiers leeg te zoeben, laag op z'n éenpootig stoeltje bij de koe, het hoofd schuins tegen het dik gevreten lijf schorend. Met zis-zijzend geluid spoot het dunne straaltje melk langs den emmerwand, droomerig stonden de andere beestjes bij het hekken te wachten. De oude boer foeterde tegen meiden en knechts om toch voort te maken, 't Leek wel een stadsboel bij hem en norsch gluurden de oogen onder den luif van zijn klak. 'n Mooie rommel, daar had je waarachtig meester Koos Bergman al. En schreeuwend tierde hij nog: — schiet dan toch op, slampampers! De knechts en meiden, al gewoon aan het driftige bevelen van den ouwe, haastten zich niet meer dan anders en zagen hem geern naar den veekooper gaan, die den zuren baas wel in een beter humeur zou brengen.

i

Sluiten