is toegevoegd aan uw favorieten.

Tot het uiterste

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Dag Leen — nou al nijdig en dat zoo vroeg in den morgen ?

— G'n dag, mopperde de ouwe, ge zijt vroeger bij de hand als die vlegels van mijn. Ga binne — ja — 't zijn meraokel luie minsch. Moeder-de-vrouw zal de koffie wel gereed hebbe'.

— Maar effekes, Leen. We moette nog ver voor 't avend is . .. aprepos, ge moest de beesten van nacht maar laten stouwen j 't is zoo wreed heet om ze overdag deur de polders te sturen.

— 't Zal nie' mankeeren, meester. Wil-de ze nog 's zien ? oewen koezijn, beschienst ?

Vrouw Cornelissen kwam binnen, nog in heur ochtendjak, de korte rok om de magere gek lange beenen, net twee telhouten op glimmend gepoetste leeren pantoffels; het dun grijze haar, amper verborgen door een strak gespeld zwart ondermutsje, streepte met dunne sikkel-maantjes plat over heur bekreukte voorhoofd. Met luid gerucht van haar schei-harde stem verwelkomde ze de slachters en nu samen lieten de twee niet af, Koos-oom en neef-Toone moesten evekes in den stal komen. In de groote vreemd leege schuur stonden de enkele beestjes als verdwaald; hun lang nk-gongend geloei klaagde zwaar door de schaduw-koele ruimte.

— Kwaliteit, mompelde Toon.