Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 't Is een bonk geld, meende oom, nu weer zwaar dampend, en keek toen stuursch voor zich uit de velden over, die al gloed glansden onder den zonnebrand. Ja, ze waren iet of wat te duur en ze moesten van daag gelukkiger koopen, wilden ze op de markt geld verdienen. Hij dacht lang na en Toon, gewoon aan dit berekenend zwijgen, tuurde met bijna gesloten oogen tusschen de beweeglijke ooren van het dravende peerd den eindeloozen grintweg over, die grillig kronkelde langs de watervolle slooten. Er broeide wat, meende hij, terloops naar de murmelend tellende lippen van den zwijger kijkend; die moest wat in 't zin hebben, dat kon je zoo wel zien. En al klonk de bedaarde stem van oom :

— Ge wit, bij Smeenk op den Hil staat die rooje koei en 'n koppel beste veerzen. 'k Heb bod gedaan: voor de koei twee tien, de beestjes deur mekaar voor honderd vijf-en-vijftig. Uit de stad zijn 'r ook al bij geweest. Tienus de meesterknecht heb ik er op afgestuurd, maar lauw, die kon ze niet los krijgen. Iedereen weet dat Smeenk ze kwijt mot — maar die vent is leep — nou mot-te gij te voet naar 'm toe gaan — ge kunt ze voor die prijs meê brengen. Hier zijn we d'r al — links af langs

Sluiten