is toegevoegd aan uw favorieten.

Tot het uiterste

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat koolzaadveld — ge ziet de hoef van daar liggen — ik rij naar Kruisland — goed begrepen ?

— Al rijt! zei Toon ernstig en hij stapte uit.

De meester klakte met de tong en het paard,

gewoon om zonder zweep gereden te worden, schoot vooruit, dansend huppelden de pooten onder het schuimnatte lijf; 'n grintsteen keilde den weg over viel met een plomp in de door eendekroos bedekte sloot. Snel liep Toon, om er maar goed bezweet en warm uit te zien; terwijl nog bedenkend hoe fijn dat alles in z'n werk moest gaan. T'enden adem schijnbaar wuifde hij zich met een zakdoek koelte toe en stapte onverveerd bij Smeenk het erf op.

— Is de baas thuis ? vroeg ie aan een meid die de koperen roomketel glimmend poetste.

— Jao-'t-ik, meester, deer gunter komt 'm al.

Smeenk kwam aanstappen, de handen diep

in de broekzakken, 'n neuswarmer zabbig geklemd tusschen de kaal geschoren breede lippen, het krom gewerkte lijf stram in het aardgrauwe werkpak. Lomp en onverschillig gingen de nikkende beenen, de gewitte klompen licht glinsterden in het malsche lekkere gras. Hij stond als met 'n ruk stil, trok de klakluif zonschuttend boven de kleine slimme oogskes, keek toen aandachtig naar den jongen kerel