is toegevoegd aan uw favorieten.

Tot het uiterste

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

'n verstand van lek-m'n-vesje. As die nou maar cengs aaj, dan zou hij hem die drie stuks wel 's aansmeren.

Langzaam gingen de twee de buurtweide in. De slaperige veerzen rekten zich moeielijk op. Ze belekten de zwart en wit glanzende huiden, de dunne kwaststaarten ranselden de vliegen van het lijf af. Sjierpend vlogen troepjes spreeuwen op, zweefden verder weer neer in het hooge gras. Toon volgde den boer, zijn oogen glinsterden van pret, maar bang dat Smeenk het zien zou, vertrok hij zijn voorhoofd in diep gerimpel, de norsche trek tusschen zijn brauwen als gebeiteld straf. Dat kleine met die witte bles was het zwaarst, dat kon je zoo wel zien, daar hoefde je niet voor gestudeerd te hebben; dat andere ding stond 'n bietske te hoog op z'n beenen, daar ging te veul wind onderdoor. Toen klonk het kortaf ferm van zijn gespitste lippen:

— Wa' mot da' kosten?

De boer staarde recht vooruit. Zijn ingevreten verweerde kop hing van gewoonte scheef aan den bruin verbranden peesnek; de magere uitgeholde keel lag als een diep gat tusschen de koordstrakke spieren; rusteloos slokte de adamsappel op en neêr. Pruimsop