is toegevoegd aan uw favorieten.

Tot het uiterste

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en Tienus Denen minder. As ie nou die jong' kopman tot klant kreeg? — en toch zei hij, de hooge prijzen behoudend, met iets tegemoetkomends in z'n stem:

— Ge zul zegge': wa' ge me daar vertelt, Smeenk, da' lieg-de — maor 'k spreek de werachtige waorheid. Giestere het 'n ander per stuk meer geboojen — ge g'leuf toch da 'k oe nie verlaozer?

— Had-de ze motte geven, meende Toon stroef, 'n Ander kan doen naar z'n goesting. Mijn zijn ze niet meer weerd.

— Kom de nie' effekes binnen ? fleemde Smeenk. Maar Ghijven voelde den zet en sloeg af, wond zich meer en meer op, zei dat ie in 't vervolg wel méér hier zou koopen. Nog toefde hij 'n oogenblik en, vaag naar de wieders op het aardappelveld starend, zei hij:

— Als ge met mij zaken wilt doen, mot-te wat toegeven. Gij trekt iemand dadelijk het vel over z'n ooren. Nog eens en nou vlug want anders sjees-ik 'm ; tweehonderd zoof voor de bont en honderd daalders voor elke veers — dadelijk leveren — de centen contant bij Vermeulen in de Roskam.

Het bieden en loven, het roemen en afkeuren bromde met knorrige klanken hun monden uit.