Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

daar was 't al te laat voor. Zwaarmoedig stapte hij Ghijven achterna, steeds hopend dat die jonge kerel wel terug zou komen op dat bod. Zijn breede lippen zuig-zabbelden aan den pijpsteel: honderd en tien gulden belasting — de pacht van 't klaverland — de rente van de hypotheek — 't loon van het wark-volk — hoe ver kwam-ie dan met het geld van deuz beestjes ?

— Koopman — hoe hiette nou? bromde hij.

Toon vertraagde zijn stap, deed toch of ie

maar half hoorde, maar 'n glimlach trilde over zijn gezicht. Hij kreeg beet — beet — nou was 't gewonnen. En nog eens, harder klonk de rauwe stem.

— Waar zou-de ze geleverd motte g'had hebbe ?

— Dat weet je, bij Vermeulen in de Roskam.

— Doe-de 'r nou niks bij, klaagde de boer verdrietig.

— As ge ze dadelijk brengt — 'k betaal contant — dan gif-de nog drie gulden toe, grinnikte Toon en keek den nijdigen boer vlak in de oogen. Toen kletsten de handen tegen elkaar.

— Nillus, Arjaan, Peere! schreewde de boer met z'n versleten stem over het erf. Al kwamen daar aanstappen, zwaar hun beenen gaand op klompen over de schoon aangeharkte voorplaats, de boerenknechts, degrootestroohoe-

Sluiten