is toegevoegd aan uw favorieten.

Tot het uiterste

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

miljoen rood der weerschijnsels met purpere overgloeiïng van het aandoomende nachtblauw. Toen: vuurzengende lichtzee heel de horizon in wreed-helsche flonkeringen. Al lager het zonlicht tegen de vager weer kleurende hemelen, halvend nu tot in bleeke verneveling tegen het violette avond-schuchteren, in parelmoerig overwelven als de verklatering van duizende aanéen-rijende regenbogen met enkele woest-felle kleur-vegen, zóo schril hevig als een pijnstrieming voor de blind gestaarde oogen. Ruischloos de wevelende nevelen, bleeke waden bevend geademd over de strakke roerlooze slooten, en nader, nader de deinende slierten langs de brons-groene weiden, grijs-wit dauwend, waar de koeien met loome koppen uit opstonden. Over lage landen, langs knoestige wilgenstruiken, langs het buigende griendhout, langs de wuivende korenvelden — vaag en traag treuzelden de dauw-wuivingen. De weg, onberoerd grijs en vlak kantig, met de stof-oppoeiering onder de ketsende paardhoeven.

Peinzens-moe tuurden de veekoopers naar den einder of er nog geen onweêr broeide. Toon hoorde nog wel telkens als kwetsende smaadwoorden het gemuichel van Smeenk nazaniken ; maar oom sprak er niet meer over.