is toegevoegd aan uw favorieten.

Tot het uiterste

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voelend dat er altoos iets 'beuren kon — maar aan den lippen-plooi van Toon bespeurend het achterdochtige, het zéer-wel-wetende wie het doen moest, trachtte hij grof onverschillig te doen, spuwde op den grond zei: ,,verrek-dawitte-toch-óok-wel — 't is mijn beurt."

— Binden ?

— Natuurlijk — 't is nog al 'n dier om uit de hand te steken.

— Doen ?

Geen gijntjes, nondezju! haal-de gij die kunsten maar op den abetoir uit.

Toen zweeg maar was woedend, innerlijk woedend ; hij stampte op den vloer — zoo'n driedubbele fluit — zoo'n dijkhaas — dat had nou net zooveel moed in z'n lijf als 'n wezel! . . . Hij nam, gaande naar den stal, de halsters mede. Zacht loeiden de koe-beesten en kalvers in de koel schemerende schuur. Krachtig duwde hij het al angstig deinzende beestje terug; steil rekte de staart en een trilling huiverde door het lijf, toen Toon onzacht de touw vastknoopte.

— Truug beest — truug hup, alé, en schopte met de klompen ruw tegen de voorpooten van het nu al verwilderde dier dat, nijdig ronkend, de neusflanken snuivend wijd sperde.