Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de moe-geschreeuwde mijner — niemand méér ? Dan drie honderd en zestig gulden . . . vóór ?

En weer klonk zijn stem, z'n naam en dien der borgen afroepend, 't Was gebeurd en hij had zijn zin, maar zag het valsche gezicht van Verdiest, die lachend tegen Kulleke en Coenraad zej: — Dat 'et-ie nie' te goeie koop.

De hamer werd voor de derde maal geklopt en de verpachting was geëindigd. Met drommen trokken de boeren naar het buffet, dronken nog een borrel en verdwenen. Ook Toon was de straat opgerend, hij kon het niet langer harden en stapte naar buiten. In het maanlicht liep hij den weg over, tusschen de dunne kastanjeboomkes door, die als schaduwen zwart tegen de lichte lucht op stonden. Nog zat hem de broeiende koffiehuiswarmte in het bloed. Z'n slapen klopten en heftig bonsde zijn hart, hij veegde zijn klamme voorhoofd af. Steeds zag hij al die vragende oogen in dien vaalgrauwen mist licht-flitsen en meende telkens het dof gemompel van de geërgerde groenselboeren te hooren: wat of die beenhouwer kwam doen-in-de-kou. Boven al dat gemurmereer uit vernam hij de klagend vragende stem van zijn moeder. Even werd-ie beangst voor zijn daad en de twijfel maakte hem rampzalig. Want

Sluiten