Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

torentjes van dorpen silhouettend tegen rozen avondschemer; wanneer het stadje zoo strak lijnig streepte met de roode daakjes en witte vorsten in een schok-kantend gedriehoek tegen en onder de iel-blauwe vrieslucht; wanneer elk geluidje tinkte schel door de onmeetlijke ruimte, dan weer liep Toon over de velden als zocht hij hier schatten. En als de avond 'snamiddags over de roerlooze huizen en daken-kudde neêr beefde en elk kleurig ding in fulpenpaars het geheime stille nachtleven begon; als de lucht brozer spande en in 't westen de roode vuurglobe wegdook in een grijze nevelbank en de hemel zelf een purperen veld leek waaruit enkele starren koud neêrstraalden met gevoelloos wit licht, dan keerde Toon huiswaarts, het lichaam rillend tegen de vrieskoude in, de handen tintelend en de voeten als ijsklompen versteend. En niet het nuttelooze, niet de vorstkoude, geen weêr kon hem weerhouden daar heen te gaan, waar hij voelde dat zijn lot beslist zou worden. Soms zou hij wel krankzinnig van verlangen op den grond neêrgevallen zijn om te vragen of het land 't toch goed wilde doen, want dat ie er voor zou zwoegen tot ie er bij neêrviel.

Maar 's nachts droomde hij zich geen karre-

Sluiten