is toegevoegd aan uw favorieten.

Tot het uiterste

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

luweren voorjaarsdag. Alles lag daar buiten te wachten op weelderigen tooi van groen en bloem. Zoo rag-teer spitsten de boomen hun gevoelige toppen tegen de lucht, zoo ijl en broos leek alles te staan onder de mateloos blauwe hemelvelden, zoo langzaam vloeiden de slooten het diep-kobalt der luchten meê, dat er geen stormloeiende winden meer denkbaar waren, geen sneeuw en ijs nog konden nêer-kristallen uit brekens-strak gespannen hemelen. Bloesems moesten luwen op geurigen windadem, het zaad ontspruiten uit de purperen landen, groen zou zoenen over de wringende takken der smadelijk naakte boomen en vlinders zouden wieken in den goudenden schemer . . .

Beiden stapten ze verheugd om het milde weer het land op bij den molen van Arjaansen. Toen zagToon dat er reeds hoveniers aan 't spitten waren, de langse heuvelen der asperge-bedden werden zorgvuldig geplat, overal doken de boezeroenen der tuinders in de zwart purperen velden op, karren met dampend broeiende koemest reden over den steenweg, spaden en ballasten glinsterden in het jonge licht, en daar kwamen de tonnekesboeren al opzetten . . .

Op 'n middag ging hij naar de Breêstraat om zijn moeder te vragen een paard te leenen.