Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

achterbuurt in, een oude lantaren tegen het karbord, de emmers op den kapotten steengrond. Met vereende kracht werkten ze dan den enormen blauwen steen wèg, die als een deksel den put afsloot. Een afschuwelijke lucht steeg uit de kuilen omhoog en bleef als een pestwalm zwaar hangen tusschen de bouwvallige muren der achteruitkrotten. Het zweet drong hen de poriën uit, maar Toon bedwong zijn walg en morrelde door, de tanden vastgebeten, de lippen saamgeperst. Dan begon hij te scheppen en joepte de emmers leeg in de gierkist. Zij wrochten voort in dien doordringenden walm, de hoofden vuurrood en rookend van inspanning. Tusschen de scheef vervallen muurkes ploeterden ze als twee slaven, de norsche afkeerige gezichten bespetterd en bevuild, maar de wil hooger, de wil staal-strak gespannen,want wat hier lag was goud voor den bodem, klinkklaar goud voor de doode zandgronden daar buiten. Het lantarenlicht keek gluiperig in het donker als een geel-groen geslagen oog. Boven hun koppen jachtten de dreigend zwarte hagelwolken, vaal beflakkerd door maanschijnsels; koude valwinden overhuiverden kil hun heet gezwoegde lijven.

Dan ten leste graaiden de emmers over den steen-bodem. Haastig smeet Toon de baalzakken

Sluiten