Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van het paardlijf, trok zijn oude jas over het vocht-klamme sporthemd, spoelde vlug zijn gezicht en handen af in eenen emmer schoon water, en ze dronken een teug bier om den smaak weg te spoelen, die hun tegen de verhemelten als aankankerde.

Ju ! en hij trok het droef met den kop

neerhangende paard aan 't leidsel. Langzaam sjokten ze door de achterbuurten, flauw verlicht door wapperende vleermuis-vlammen; hol stampend de paardhoeven op de ongelijke keien.

Buiten dan in den weenenden klam-grijzen nanacht, met telkens de gierende windvlagen tusschen de zwiepend buigende boomen, het onverhoedsch neêrritsen der hagelsteenen — de twee loom voort naast de schommelende klikkar, moe afgebeulde werkers, twee arme verdoemden, voortgeslagen door het werk, de slaperige gezichten norsch en verdrietig. Het begon te motregenen met dreinend vervelend gezieber dat hun in het stramme gelaat sloeg en hun halzen nat stuif-waaide. Eindelijk stonden ze op het veld. Wrokkend keek Toon naar de lucht waarin de wolken voortslierden, beschamplicht door de maan, violet-grauwe vlotten met geelwitte randen, schuivend voort de inktzwarte

Sluiten