Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

oneindigheid in. Het sa&m-geschonkte stadje in den beweegloos strakken ring der nachtduistere maste-toppen, lag daar roerloos gestrekt onder de ontzachelijke wolken, voortzeilend als 'n rouw-brengende armada, laag slierend over het klip-schampende stedeke. Maar weifelde het geel-witte licht even zilverig-schemerend, dan werden de kantige daklijnen klein en nietig zichtbaar, uitgebrand koolzwart met als een nasmeuling uit de verwoesting, de wolken-drommende rook wild vanend door de ruimte, even telkens de silhouetten, schokkantende driehoeken in krakend-knappende lijnen, zig-zaggend met 'n enkele breekbaar dunne steil-priemende spits van 'n kerkje, lei-schubglinsterend — en weer zwart onder het vlietend licht. Soms spoten de maanstralen schuin uit een ijs-koel-blauw luchtvak neer met snellende zoeklicht-striemen over de smeulende dood-vereenzaamde huiskes, die in steun tegen elkaar schoorden; bliksemend strak-fel werd de roerloos stugge kerkklip grijswit beflakkerd, ontzachelijk onder de laag stormende hagel-zwangere wolkenlijven.

Het zou blijven regenen en Toon was te afgemat om nu nog te gaan gieren. Ze zouden wel om zes of zeven uur met het ochtendkrieken hier zijn, thuis hadden ze niets te

Sluiten