is toegevoegd aan uw favorieten.

Tot het uiterste

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

trilden de klauwen weer metaal-flitsend over den versteenden bodem, de droge zand-korstige handen werden weer pijnloos om de brandnetels geslagen. Doch éen gromde er:

— 't Is bij drieën.

— Schei er maar uit! foeterde Toon, die elke zelfbeheersching miste nu hij dat arme wijf daar voor dood tegen den grond zag liggen. En hij spoedde zich naar de droge sloot om z'n drinkstoop, goot toen het even koelere water over het gezicht van 't oü-vrouwke. Wezenloos met de verglaasde oogen open, lag het vrouwke strak in de verblindende zon te staren.

— Help 's 'n handje, schorde het uit Toon's droge keel. Toen de kerels hem hulpveerdig zagen, stonden ze op en droegen Mie-Bet in het lommer.

Moest 't zóo voortgaan, dan werd hij er gek onder. In vlagen van radelooze verbijstering begon-ie te zinnen om water te krijgen. Terwijl de hitte hem doorschroeide tot in elke leventrillende vezel, 'wijl zijn gelaat, z'n hals, armen en handen vol zonneblaren gebrand werden, terwijl het bloed tot razend worden toe door zijn hersens ruischte en zijn gekromde rug geblakerd werd onder dien bliksem-gloeienden licht-neerval, zon hij op middelen om zijn arme