is toegevoegd aan uw favorieten.

Tot het uiterste

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bouw boven de flappend deinende dakenkanting. Vijf slagen brons-galmden de wijdte in, luide uitluiend over de oneindigende vlakten. Het licht over de met lei en zink beschubde daken glinsterflitste plots zóo sterk, dat het Toon werd of er een zilverige regen over neêrgulpte . .. Weer staarde hij peinzend voor zich uit. . . hij moest toch ergens heen . . . werd hij nu krankzinnig om daar zoo wezenloos te staan .. ? Naar kavel twaalf. .. dat ie zoo daas was om er nu eerst aan te denken ..! Moest hij die wieders dan maar bezig laten ?

— Werk die roeien af — 'k ben binnen 't kwartier terug, snauwde hij tegen 't volk en smeet hak en klauw in de sloot, liep den kooiweg over die niet meer vergruizelde onder zijn schoenzolen, maar roetzwarte smoor op deed warrelen. Verder en vlugger het stinkende vijverwater langs, kavel zeventien over — hier dat stuk wei van meneer Coenraad overgestoken — wat ? vort! schreeuwde die vent nog om z'n gras niet plat te loopen — d'r stond geen pijltje vreetbaar voer op — lak had-ie aan dien schreeuwert — ja! schimp maar raak — 't geeft jou ook geens snars al godver'-je van kant. Sneller dan, mompelde hij, anders kregen de kerels hem in de kieren; het zweet