Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verleidelijke plan door z'n denken varen. Het kon toch — 't moest kunnen — al was 't maar met tonnen tegelijk . . . het welwater bij den meulen van Arjaansen — en voor zijn starende oogen zag-ie het water stroomen — hoorde hij het geklater zingend suizelen . . .

Z'n rug kraakte, z'n lenden pijnden hem, hij voelde z'n pezen verstrammen, het licht uit de oogen verwazen — alles, alles faalde! En hij zou neêrgesmakt zijn van plots te geweldig opgierende drift... waar bleven die lanterfanten ! — De woede siste in hem op, krankzinnige woede over die verdoemde wieders die zijn land konden zien opvreten door het onkruid, en een schroeibrand van verwenschingen, een kolkend vuurwerk van vloeken knetter-knalde los over de lui-in-elkaar-gezakte werkers, die ronkend als ossen tegen den schaduwenden berm-weg aangehurkt lagen.

— Er uit! donderde zijn lang bedwongen stem. Moest-ie die doodvreters daarvoor zijn bloedgeld betalen ? In zijn overspannen verbeelding zag-ie ze weken aan-éen den tijd zoo verslijten !... Er maar uit — en geen cent loon ! Toen weer met angst teruggehold naar de peeën-kavels — maar daar wrochten ze stevig door, en zelfs Mie-Bet kroop weer met heur

Sluiten