Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

grauw ontdaan gezicht vlijtig tusschen de bietenblaren. Toon duvelde er achter met zijn driftstem : vooruit moesten ze al schroeide de zon ze hard-steke dood!

De zevende slag galmde traag door de goudend schemerende luchten, die ros en hyacintrood verpurperden ; nog éen leste helle krachtopvlamming van dien vuurkrater betintend de warm begloeide daakjes, de straf belijnde toppen der boomen, uit-gulpend vuur over de laffe vlakke velden, en dan roerloos de aanhuivering van het donker avondblauw, ongerept zonder éen wazig wolkje. Droog de komende nacht met geen wademing van dauw — straf de huis-rijen be-kant-striemd door de koper-roode zonstralen. Dan de doorzichtige maan-sikkel als 'n lichtgat in de donker-groeiende onmetelijkheid. Beweegloos gestrekt in eindelooze aanéenschakeling de dood versmachte velden, waar langs geen adem-luwte zwoel wuifde. Geen bleeke nevelslierten over het diepe molenwater, alles lag stijf-roerloos de hitte uit-te-stralen, wachtend weer op den oven-gloed, zonder éen kreet van opdaverend verzet.

Toon gaf het sein om het werk te staken. De arbeiders scharrelden hun boeltje bijeen, trokken een droog boezeroen over het vocht-

Sluiten