Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schrètend, het krijschte snerpend. Ze lachte en het edele gezicht verwrong tot een mombakkes, ze gebaarde en het was een plomp beweeg van haren arm als de slinger van 'n pomp.

Weer spraken de twee over oogst en weêr, over de verkens en dat ze zoo goedkoop waren; ze eindigden over het weêr en dat de peeën er goed bij stonden. Kven nog ging het over de kermis.

De rouwtijd was Maandag afgeloopen

morgen — — 't was voor 'n bruur van d'r moeder gewist — Toon knikte —die wist het wel.

De taal klonk uit haar mond plat boersch, wijd luidruchtig als 'n lawijt, elk woord met een ongewonen klemtoon bevestigend, en dan weer een heele zin bijna onverstaanbaar gelispeld met een innerlijke geluidsgrilling, gekriebel van voel-je-wel-zus en begrijp je-wel-zoo, met achterdochtig veel gehum, en och-wa'zeg-de s en got-o-got's, die er heelemaal aan ten onpas kwamen; met gil-lachjes als van 'n stadsche-meid, die haar onmogelijk afgingen — t stond haar gemeen, omdat ze niet lenig heur beenen kon indringen tegen den soepelen rok-wand, wijl ze niet lenig haar heupen kon deinen, dat het bovenlijf er van terugschrok, met een verglijing der teer rondende borsten

Sluiten