Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van den duc de Bévrailles paste, en, zijn zoon ziende, zei hij tot Floris, opnieuw in het Fransch: „mon fils Hugh."

Floris stond op en drukte den jongen man de hand, die met een verveeld gezicht een paar beleefde woorden mompelde. Als broer van twee mooie zusters deed Hugh zijn familie geen eer aan. Hij was niet leelijk, maar zijn gezicht was van onzegbare onbeduidendheid: geen trek was daarin, waar de herinnering houvast aan had. Zijn krullend haar was nochtans van zeer fraai blond: het blond zijner zuster, de hertogin, maar zijne lichtblauwe oogen keken slaperig en vadsig, terwijl zijne weeke trekken, ondanks een blond kneveltje, meisjesachtig warerj. Hij was met zwier, ofschoon donker gekleed : van het geld, dat hij voor zijn das had betaald zou een arm huisgezin een week, voor de parel, die hij er in droeg een jaar hebben kunnen leven. Zwijgend, doch met een beleefd gebaar verzocht hij Floris te zitten; zelf bleef hij in eerbiedige houding met zijne slaperige oogen, om den mond een vermoeide glimlach, naast zijn vader staan.

„Mijnheer Verkerk blijft hier eenige maanden, hij zal ons vaak het genoegen van zijn gezelschap geven, ik wil dat je veel Hollandsch met hem spreekt. Spreek Hollandsch, mon garfon," zei de heer De Oude.

De vermoeide glimlach van Hugh De Oude werd er een van verlegenheid. „Aufait," antwoordde hij, „je /'ai oublié."

Sluiten