Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Je weet, dat ik bij z'n vrouw slaap?" gooide De Bie er uit.

Deze mededeeling viel zoo plomp op Floris neer, en de man, die haar met zijn gemeenen glimlach deed, goor, bleek, mager van gezicht, slordig, morsig en onbehouwen in zijne kleeren, had zoo weinig van een, die vrouwen het hoofd op hol brengt; de laaghartigheid, buitendien, om den naam van een vrouw die zich aan hem had gegeven tusschen twee glazen Bourgogne op een restaurantstafeltje te brengen, stuitte Floris zoo zeer, dat hij hem een oogenblik ontsteld aankeek, hoewel de mededeeling, door de aardigheden, die kaptein Peters hem al over de verhouding tusschen mevrouw Hicks en De Bie had te genieten gegeven, hem niet verrastte. Hij wist niet wat te antwoorden. „Hang je je buitenkansjes altijd zoo aan de groote klok?" vroeg hij eindelijk.

„Wat kan dat verdommen? lederen weet 't. Ik laat me hangen als Hicks-zelf 't ook niet weet," antwoordde De Bie. En hij begon allereerst uit te pakken over den dominee. In zijn hoedanigheid van minnaar van diens vrouw had hij al hare grieven gehuwd, en dus een hekel aan den man. Zij was een van de twee kinderen van den rijken Engelschen koopman Nicholson, die, een jaar of twintig geleden gestorven, een groot fortuin had nagelaten en een prachtige villa te Boenar-basji, het door de Smyrnioten thans bevoorkeurde dorp van Engelschen aard, zooals voorheen Roemkieuï het zomer-

Sluiten