Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het was een nog jonge, slanke man, dien Floris tegenover zich vond, licht blond en zeer zorgvuldig gekleed: in het ietwat bleeke gezicht, dat een knevel en kortgeknipten baard droeg, een paar verstandige oogen van buitengewoon zachte uitdrukking achter een gouden lorgnet. De consul stond van achter zijn schrijftafel, aan twee zijden bestapeld met boeken, op, en den bezoeker een paar schreden te gemoet tredende, drukte hij dien de hand, en verzocht hem plaats te nemen in een leunstoel in zijn nabijheid. Aan de wanden van het vertrek, dat met twee vensters, door zware pluche-gordijnen gedrapeerd, uitzag op een tuin, stonden groote eikenhouten boekenkasten; boven den schoorsteen, te midden van een krans fotografieën van dames in avondtoilet en heeren in geborduurde uniformen, hing een officieel portret van de koningin in een goud gekroonde lijst.

De eerste woorden, door den heer Van Spalkenberg tot hem gesproken, woorden vol hoofsche beleefd- en Hollandsche hartelijkheid, die zich door een klaarblijkelijk langdurig verblijf in het buitenland had leeren uiten, brachten Floris zeer op zijn gemak. Hij voelde zich in dit huis, althans in dit consulaire vertrek, als op een gezellig stukje Hollandsch grondgebied, en het gesprek kwam dadelijk op de kolonie in de stad. De heer Van Spalkenberg, na zijne inwijdende jaren in Konstantinopel en in Petersburg doorgebracht te hebben, was eenige jaren consul geweest in Zuid-Amerika, nu

De Voorbijganger. I. g

Sluiten