is toegevoegd aan uw favorieten.

De voorbijganger

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

pruiken, hem met kant en lubben en manchetten en een degen, haar met mouches, dan zag men den seigneur en de dame du village. In Roemkieuï was de familie Van Torgau zeer gezien, trouwens de families Reael en Rombouts oók. De jongeren deden het niet meer voor de jongeren, maar de oude lieden van het dorp stonden nog op, en bleven met de muts in de hand stilstaan, wanneer de kir kómes *) of de madama kómessa voorbij kwam. „Voor Armand doen ze 't niet meer, die is te joviaal met ze, die noemen ze mossiou Armand, maar voor de oudelui hebben ze nog het oude respect."

Onder het spreken liep de consul met een haastigen stap door, en Floris had moeite hem door het gedrang te volgen; maar halverwege op de kade kwamen zij Van Delder tegen. Die was alomtegenwoordig, dacht Floris. De heer Van Spalkenberg begroette hem slechts koeltjes, en zei tot verklaring, waarom hij zich niet wilde laten ophouden: „Ik ga met m'nheer Verkerk naar den ouden heer Dietz."

Van Delder glimlachte op de snuivende manier, welke Floris in hem had opgemerkt: „het is te hopen," zei hij, „dat u 'em goed gemutst treft. Gisteravond moet er 'n heele scène voorgevallen zijn. Twee van z'n trawanten waren er . . . ."

„Wie?" vroeg de consul, „Griparis en Louloudaki?"

„Griparis en Papasides; Louloudaki was er niet. Ze

*) N. Grieksch = „Heer Graaf."