Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

broer, begroette met een zwijgende buiging, een handdruk, en een glimlach, en daarop weer verdween, na voor zijn vader eenige papieren neergelegd te hebben.

En nu, zooals de consul gezegd had, dat geschieden zou, scheen de heer Dietz met zijne levensherinneringen te willen komen. Hij kneep de oogen dicht, opende ze weer, opende den mond, alsof hij zijne spraakorganen eerst inwendig wilde beproeven, en begon toen op een toon alsof hij een voordracht ging houden: „In het jaar achttienhonderd negen en vijftig onder het consullaat van den heer Pieter Reael kwam hier uit Holland met het zeilschip „De Twee Gebroeders" kapitein Hageman van de firma Roozelaer uit Dordrecht — de consul keek Floris even aan en knipoogde bijna onmerkbaar, Willem Dietz begon te schrijven — een m'nheer Frederik Meyer een jonge koopman uit Rotterdam die voor zijn gezondheid op reis was maar tevens een lading tabak aan den man wilde brengen waarover ik met zijn vader al gecorrespondeerd had want de firma Meyer en Schouten was in dien tijd een der grootste tabaksfirma's in Holland dat ik een jaar te voren voor 't eerst bezocht had zoodat ik met de heeren Meyer en Schouten had kennis gemaakt en nu dadelijk zei „m'nheer Dietz, ik kom om m'n vaders tabak te verkoopen, maar ook om de ruïnen van Efeze te zien, dus ik ga naar het binnenland en in dien tijd laat ik mijn lading aan u over," — „m'n waarde, zeg ik, alles goed en wel dat je belangstelt in de ruïnen van

Sluiten