is toegevoegd aan uw favorieten.

De voorbijganger

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

door een hekje afgesloten verhooging een eenvoudige preekstoel met het Nederlandsche wapen er op: links een serafienorgel met de banken der kerkvoogden ervoor, rechts de bank van den consul, met een zwaren Hollandschen Statenbijbel; door kleine boogvensters aan beide zijden scheen het heldere licht van den laten namiddag.

Wèl, dacht Floris, een vriendelijke kerk van Calvinistische simpelheid, van Hollandsche zelftevreden braafheid, waarin, meende hij met de herinnering in zijn waarneming van die ellendige ziekenzaal beneden en den stervenden Hollandschen jongen, die zoo naar zijn moeder verlangde, een ietsje huichelarij niet te miskennen viel. Hij las de koperen naamplaatjes: Reael, Torgau, Rombouts, Weyman, Dirks, De Bie zoo waar oók, en Engelsche namen en Fransche. De preekstoel werd geflankeerd door een paar Fransche Christuswoorden, goud op zwarte Mozestafels: gulden woorden inderdaad, wier stichtelijkheid hem echter bedorven werd door het denken, dat voortaan de Hollandsche zeelieden, die ziek in Smyrna kwamen, naar het Engelsche hospitaal werden gebracht, waar niemand hen kon toespreken, waar zij niemand hadden aan wien ze eens wat van hun moeder, of vrouw en kinderen, of meisje konden zeSSen' En hij schokschouderde nu: hij ging het dominee's trapje af, en kwam in den tuin, die het oude Hollandsche kerkhofje was. Tegenwoordig had de kolonie haar begraafplaats buiten de stad, vertelde hem juf-