is toegevoegd aan uw favorieten.

De voorbijganger

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tomben als steenen urnen, en graven van niets dan bloemen en nimmerdor. En wederom hier was 't hem goed Hollander te zijn: dit kerkhofje was als een mooie bladzijde der geschiedenis van zijn volk. Het was er stil, vreedzaam, vol herinneringen aan zelfbewuste kooplieden, moedige zeevaarders, ondernemende avonturiers, die in dit verre Grieksche land, en zelfs in den dood nog, een stukje van het Hollandsche vaderland, van het Hollandsche leven hadden gebracht.

Maar hij schrikte uit zijn gepeins op door de gedachte aan zijn afspraak om tegen vijf uur aan het station te komen: het was nu half vijf, hij moest heen. Tusschen de graven, had hij gezien, bloeiden in het gras wilde viooltjes, die vooral bij een der Torgau-grafsteden spikkelden. Bij den ingang van de hal kwam juffrouw Papadópoulo hem met haar vriendelijk mummelglimlachje te gemoet, en reikte hem er een ruikertje van over. Hij bedankte haar met een handdruk en, na zijn handtaschje te hebben opgevat, ging hij haastig de straat op, in de richting, die men hem had aangewezen, bang te laat te komen. Gelukkig vond hij op den straathoek een ledig victoria'tje: hij stapte er in, zei den koetsier waarhèèn, en vóórt ging het, terwijl hij het ruikertje witte viooltjes in het knoopsgat van zijn overjas stak.

Aan het station keek Torgau al naar hem uit. Floris werd door hem naar de wachtzaal geleid, waar freule Van Torgau hem als een ouden bekende de hand toestak, en zei: „ik hoor, dat u ons Roemkieuï ook eens wil bezoeken."