Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hij had ze allen lief, ondanks hunne gebreken, en die Mme Rénouard en Mlle Malise, hij wist niet of hij ze meer liefhad dan de anderen, maar lief had hij ze, Mlle Malise vooral.

Maar plotseling stond hij op, ontdaan door een leegte om hem heen. Zijne vogeltjes, waar waren ze? God, dat hij nog niet aan ze gedacht had! Waar waren zijne vogeltjes? Hij voelde zich niet meer zwak nu, niet meer ziek, hij wilde dadelijk naar beneden gaan, naar Mme Rénouard, om te vragen waar zijn vogeltjes waren, en reeds had hij de deur zijner kamer geopend, toen hij op de trap Mme Rénoaurd hoorde spreken. Zij bracht zijne kanaries; moeizaam kwam ze naar boven, in iedere hand een kooitje, en daarin hupten en wipten en schommelden kleine gele vogeltjes, tsjilpend, angstig door de ongewone beweging. Eindelijk, daar was ze boven, en zei lachend: „ik kom uw vriendjes terug brengen, ze zongen maar door, tijdens uw ziekte, we hebben ze naar beneden gebracht."

Opnieuw schoten Hugo de tranen in de oogen. Hij vergat Mme Rénouard te bedanken, hij hing een kooitje op aan een spijker in den wand, terwijl hij het andere op een stoel voor zijn venster zette, en zonder op zijn oude buurvrouw te letten, die hem glimlachend stond aan te zien, met de handen op haar buik gevouwen, sprak hij zijne vogeltjes toe, nu het een dan het ander, kleine woordjes van groote liefde, korte groetjes van blij weerzien, alsof die gele huppeldiertjes

Sluiten