Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gevederde zieltjes waren, die verstaan konden woorden, die gevoelen konden liefde van een eenzamen banneling, verloren in het onmetelijke, woest-voortdringende Parijs. Inderdaad, zij beantwoordden de stem-liefkoozingen van hun meester; zij gingen voort te huppelen van hun stokje naar hun etensbakje, van hun etensbakje naar hun fonteintje, en ze schommelden, tsjilpend, blij, vroolijk, licht, omdat ze weer thuis waren en weer de stem van hun meester hoorden, en die voor het venster klapwiekte en ploos zich en wierp, als glazen kraaltjes, een paar hooge, hooge noten uit zijn wijd-open snaveltje, en toen hoorde Hugo den welkomstgroet van het dartelende, gele zieltje: een reeks van klare geluidjes, plotseling stil, en weer een nieuwen val van trillertjes, hooger nog dan de vorigen, en de andere, aan den wand, zette nu ook in, en volgde zijn kameraad, totdat de kamer vol was van geluid, wegvloeiende in de ruimte daar buiten.

Opnieuw bedankte Hugo mevrouw Rénouard, en opnieuw ging zij heen, met een waarschuwing om voorzichtig te zijn en zich niet te veel te vermoeien. Hij ging weer aan zijn schrijftafel zitten, nadat hij zijn scheerspiegel van den wand had genomen, want hij had bemerkt, dat zijn ziekte hem een baard gegeven had. Hij bleef zich een oogenblik aanzien: hij was vermagerd, bleek, maar zijne oogen waren helder in hunne diepe kassen ; zijne lang-gegroeide goud-blonde haren hingen in dikke vlokken op zijn breed en blank

Sluiten