is toegevoegd aan uw favorieten.

De droomers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voorhoofd, en hij dacht, dat het tijd werd, dat de kapper hem onder handen nam; zijne kleine ooren en volle lippen onder zijn baard waren bleek van ziekte en huislucht, hij was wel erg ziek geweest, maar hij voelde zich vergenoegd, terwijl hij den spiegel op een stoel lei en weer naar zijne vogeltjes keek, die telkens hun hooge klank-snoeren uitwierpen. En nu eerst had hij geheel zijn vroeger leven terug. Had hij niet een dier vogeltjes meegebracht uit Brabant, was het niet een geschenk van zijn moeder ?

Ja, zijn vroeger leven had hij terug, zijn leven van ballingschap, hier in Parijs. Een gevoel van nameloos, onbevredigd verlangen beviel hem, dat onverwinnelijke, steeds knagende, nooit bevredigde verlangen om terug te gaan naar zijn dorp, om zijn oude moeder te zien, haar te omhelzen, naast haar te zitten, met haar hand in de zijne, haar stem te hooren: dat vreeselijke, onvervulbare verlangen van vroeger, wanneer hij alleen was in zijn kamer, voor hem uit de geweldige onlijdelijke stad, die hij soms haatte, en waarin hij zich dan vond als een drenkeling aangespoeld op een vreemde kust. Hij legde zijn hoofd neer op zijne armen en schreide langen tijd, stil, zonder snikken, maar overvloedig de tranen. Allengs werd hij kalmer, en hij dacht na, droevig nog altijd zijne gedachten, krijtend nog altijd dat verlangen naar huis, maar thans zich neerleggende achter het weten, dat het niet kon. En waaróm kon het niet? Wat had hij misdaan, dat hij een banneling