Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het Heilige Hart te gaan, honderd voetstappen ver. Vele zomerzondagen, 's namiddags, was Hugo beneden gekomen om de twee dames mee te nemen op een wandelingetje in 't Bosch. „Komaan Mme Rénouard, Mlle Malise, zei hij dan, kleedt u aan, het is mooi weer, de deur uit, wandelen: je zult nog je gezondheid bederven met dat thuiszitten." Helaas, er was niet veel te bederven aan de gezondheid van Mlle Malise, want heel vaak kon ze niet zien van hoofdpijn, en toch veroorloofde het werk haar niet om zich neer te leggen en te slapen. Hoofdpijn of niet, de arbeid ging door.

Het eenige genoegen, dat moeder en dochter zich gunden was nu en dan het theater en altijd gingen zij dan Jeanne Hading zien, of Réjane, of soms Mlle de Marsy, de drie eenige actrices, zei Mlle Malise, die zich met smaak kleeden. En wanneer ze Jeanne Hading gezien had, kwam zij opgetogen thuis, een week vol geestdrift. Dat toilet in het tweede bedrijf! Of die ochtendjapon in het derde! terwijl Mme Rénouard de stukken criticeerde, bleek het dat haar dochter er zoo weinig aandacht aan had gewijd, dat zij er het verloop niet van wist. „Die stukken," zei ze, eenigszins minachtend, „zijn meestal zoo onnatuurlijk, maar Jeanne Hading, wat 'n smaak, wat 'n elegantie!"

„Weet u wie ik ontmoet heb," vroeg ze plotseling. „In den omnibus: dien landgenoot van u, met die lange haren en dat bocheltje, die schilder, meneer Jozef Te Te "

Sluiten