Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

buurman op en, Terhaer zijn bezoek belovende, nam hij van dezen en van Hugo afscheid.

„Ik wist niet, dat jij die kon," zei Terhaer, nadat de bezoeker was heengegaan.

„Dat wil zeggen: hij woont hier op de eerste verdieping en ik heb hem nu en dan ontmoet, verder ken ik hem niet," antwoordde Hugo, en liet de vraag volgen: „ken jij 'em dan?

„Persoonlijk met, maar ik heb wel van hem gehoord: het is prins Montecastellone."

„Met je verlof. . hij heet Ghimaldi," zei Hugo.

„Nu ja, Ghimaldi, prins van Montecastellone. Hij moet een mooie Rafaël hebben, die hij niet verkoopen wil, een portret van paus Calixtus, daardoor heb ik van hem gehoord, bij de kunstkoopers, die er op azen."

Deze mededeelingen van Terhaer, die spoedig vertrok, brachten Hugo aan het mijmeren. De goedheid van zijn buurman, om belang te stellen in zijn ziekte, de voorkomende beleefdheid, hij die, afgezien van zijn geboorte, toch zooveel zijn oudere was — de prins moest tenminste vijftig jaar zijn — namen hem voor den ouden heer in, en voor 't eerst zei hij zich, dat er toch wel iets in was, afstammeling te zijn van een oud, groot geslacht. Zulke menschen, dacht hij, zijn als kasplanten: zij hebben er misschien al de verweekelijking, al de ondeugden van, er is als een sfeer om hen van verfijning, van versierlijking, van wèlgeurigheid. En in zijn burger-

Sluiten