is toegevoegd aan uw favorieten.

De droomers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

noodigden zij hem uit een rijtoertje te maken in het Bosch. Ja, waarlijk, hij herleefde toen, niet alleen omdat hij Mlle Malise weerzag in den zonneschijn van een lentemorgen, en hij tegenover haar zat in het open rijtuigje, goed ingestopt door de dames, maar omdat hij haar zag, terwijl de boomen al kleine lichtgroene blaadjes hadden, en op de takken dier boomen de kleine vogels hupten en tsjilpten, en hij haar zag, terwijl de zonnewarmte hem zoo goed deed op zijn rug en in zijn gezicht, overal waar zij hem streelde, zoodat hij, stil van geluk, zich verbeeldde, dat aldus de kleine handjes van Mlle Malise streelen moesten, en omdat hij haar zag in de melkerij en de melk zoo vet en smakelijk was, en de dames blij zaten te lachen, soms met een vraagje: „niet waar, meneer Hugo?" of, „heeft u 't niet te koel?" Neen, zeker niet, hij had het niet te koel: juist prettig versterkend, streelend-warm; hij voelde hoe het teruggekomen leven de krachten van den zonneschijn en van de ontluikende boomen en van het tsjilpend gehuppel der jonge vogeltjes en van de lekkere melk opslurpte in zijn bloed — hij had nog wel een glas melk willen drinken, maar hij had geen geld bij zich, en durfde niet vragen — alles was kracht, alles was jeugd, alles was schoonheid om hem heen, en Mlle Malise was het schoonste — neen het liefste van alles, en Mme Rénouard de beste van alle menschen, zijn moeder uitgezonderd.

Straks ging het weer voort, in het rijtuigje, met een