Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van de blondharige en blauwoogige Pelasgen, wier schoonheid voortleeft in Venus en Adonis. Deze Pelasgen zijn de uit het Noorden gekomen Fin-Japhetieten. Zij, bij uitnemendheid voortplanters van de moraal, van de rede, van de familie, ontvangen van het zwarte ras de geestdrift en de levensvreugde, al deze eigenschappen vereenigd baren de kunst, de wijsbegeerte, de religie van Griekenland.

Niets meer behoeven zij om voortaan de meesters te zijn. De oude wereldbeschouwing, samengevat in eenige oorsprong-woorden, heeft haar grootschheid verloren. De taal is verrijkt met woorden, alles heeft zijn vaste benaming, maar naarmate de benamingen gesplitst zijn, heeft het Woord aan beteekenis verloren. Voor het Woord is de taal gekomen. Enkele beteekenissen slechts zijn behouden: God is nog steeds vereenzelvigd met wat in den oorsprong goed was, de man is nog steeds de ziel, de vrouw de kinderbaarster. Nog altijd is zij de priesteres, de zieneres, meer dan dat: de moeder, oorsprong van familie en ras. Maar de tijd harer vernedering is gekomen: de rassen hebben zich vastgeplant, de familie verdwijnt en wordt stam, de stam verdwijnt en wordt polis: de stad. Alleen de Germaansche beschaving handhaaft den verheven eenvoud van vroeger familieleven, maar waar zij samenvloeit met die van Chamietischen en Semietischen oorsprong, als de Grieksche-Romeinsch en de Joodsch-Romeinsche beschaving, ziet ook zij den man zich verheffen op de

De Droomers. I. 7

Sluiten