is toegevoegd aan uw favorieten.

De droomers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heden voor hun daad, maar telkens, wanneer ik van een daad hoor door een anarchist bedreven, vraag ik mij af: „hoe durft hij?» Ik zeg mij: „wat moet die man geleden hebben!" O, meer geleden dan ik. Neen, heusch, uw kwade voorspelling berust op een vergissing."

"Ik kan u enkel neggen, dat ik hoop mij vergist te hebben," antwoordde de heer Von Tigernskiöld. „Maar indien de chiromantie iets waard is, dan bestaat dat gevaar, waarvoor ik u heb gewaarschuwd, wel degelijk. De teekenen in uwe handen zijn onmiskenbaar, hoewel nauwelijks te bespeuren."

Beiden zwegen een oogenblik. Ofschoon vlak tegenover elkaar zittende, voelden zij zich van elkaar gescheiden als door een ijsvlakte. De zedelijke atmosfeer, waarin zij op dat moment leefden, voelden beiden zwaar van dreiging, van somberheid, van drukking. Hugo keek op zijn horloge en stond op. „Het is al laat, zei hij, ik moet weg." Hij nam zijn hoed en richtte zich naar de deur. De heer Von Tigernskiöld volgde om hem uit te laten. Aan den drempel keerde Hugo zich om, stak den baron de hand toe, en zei: „ik weet niet, of het goed of kwaad is, dat u mij dat gezegd heeft, maar wél, dat uw bedoeling ernstig, goed en vriendelijk was. Ik dank u nogmaals." De Zweed dankte niet met woorden: ontroerd drukte hij Hugo de hand en deze vertrok.

Het was een der eerste dagen van Juni, de zon scheen helder, de rue de Rivoli was een en al licht, een en al druk leven. Hugo lette er niet op: zijne