is toegevoegd aan uw favorieten.

De droomers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Nonsens, kerel," zei Terhaer uitdrukkelijk, alsof geen verdere tegenspraak mogelijk was, en het onderwerp afgedaan beschouwende, wijzende op een kleine aquarel, dat aan den muur hing, „zeg, kijk 'es dat kleine ding daar, die No/re Dame bij maneschijn, fijntjes, hè, dat licht, vol van beloften, vol van muziek, vol van trillend leven !"

Hugo zag dat hij, althans voor dien dag, met Terhaer over de chiromantie niet zou opschieten. Hij veinsde nog wat naar de schilderijen te kijken, terwijl de schilder voortwerkte en praatte, en zei eindelijk: „ik moet weg, is je vrouw thuis?"

„Neen, zei Terhaer, Sietske is er met de kinderen op uit."

„Nu, doe hun dan m'n groeten," beval Hugo, terwijl hij Terhaer de hand reikte, en deze zei: „kom gauw eens terug, kom op een avond, dan kunnen we rustigjes wat babbelen."

Een oogenblik later was Hugo op straat, zijn denken bezig met die voorspelling. Hij ging peinzend voort, uren lang, door het gewoel van Parijs, langzaam, zonder opzien, en op Montmartre gekomen, ging hij een klein werkmansrestaurant binnen om wat te eten, haastig, want hij wilde weer in Desbarolles' Mystères gaan lezen. Maar toen hij, boven gekomen, een poos gelezen had, evenals den vorigen avond zoekende in zijne handpalmen, onbevredigd, viel het hem in, dat hij den prins wel een bezoek kon brengen. Het was nog vroeg: hij zou waarschijnlijk nog niet hebben gedineerd. Hugo