Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mantie dacht. De ander kende Desbarolles natuurlijk, en vond dat er een heeleboel in zat, in de chiromantie, maar zelf deed hij er niet aan. „Wat zal ik je zeggen: je kan maar één ernstige studie tegelijk waarnemen."

Hugo schoot dus niet met den ouden man over de chiromantie op, en, daar hij in de achterkamer weer de twee vrouwen hoorde, die begonnen te kijven, ging hij spoedig heen, maar hij was er zoo vol van, dat hij er dien avond nog met Mme Rénouard en Mlle Malise over sprak.

Ze hadden er nooit van gehoord, maar vonden het vreeselijk interessant, en dadelijk moest Hugo hare handen bekijken, en zeggen wat hij daarin vond. Het was nog al gemakkelijk te zeggen welk karakter de twee vrouwen bezaten, daar hij ze beide kende, maar wat haar toekomst zou zijn, daarvan kon hij niets zeggen, en op een toon, die elke tegenspraak afsneed, zei Mme Rénouard: „natuurlijk, geen mensch kent de toekomst; die kent God alleen."

Hugo popelde om mee te deelen wat baron Tigernskiöld hem gezegd had van zijn toekomst, maar hij wilde, noch durfde. De gedachte aan die voorspelling wischte zich niet uit zijn herinnering weg; zij werd hem als een obsessie. Hij gevoelde soms lust om te zien of hij niet vervolgd werd door een dreigend spook, dat hem voortdreef op een weg, dien hij niet vrij was te kiezen, voortdreef naar de guillotine. Hij voelde zich niet vrij meer, en hij lachte, inwendig smalend, om zijn

Sluiten