Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

j twintig jaren geleden, hartstochtelijk begeerd, . de man de vrouw, en de vrouw den man. Toen Steyn de Weert eerste-luitenant was, een mooie kerel, even dertig, had hij mevrouw Trevelley gezien, wier leeftijd hij niet wist. Wat deed die er ook toe, waar hij een vrouw ontmoette, zoo verleidelijk mooi voor zijn dadelijk sprekende zinnelijkheid, dat hij oogenblikkelijk — den eersten keer toen hij haar zag — zijn bloed had voelen vlammen en gedacht had:

die vrouw moet ik hebben Toen was zij

geweest al veertig — een vrouw zoo vol bloeiend mooi, dat men haar nog altijd noemde mooi Lietje. Klein, maar volmaakt van vormen, en lief vooral in gelaat, lief in nog heel jonge lijnen van hals en van borst, melkblank, met de enkele fijngouden sproetjes; lief van blauwe onschuld-oogen en van heel blond, zacht kroezehaar: lief als een kind-vrouw van liefde, die niet anders scheen te zijn dan om het gloeiend verlangen te wekken. Toen Steyn de Weert haar zoo zag, voor de eerste maal, in wat luchtige Haagsche salons, van coterie IndoHollandsch, was zij, voor de tweede maal, , getrouwd met dien halven Engelschman Trevelley, die geld scheen in Indië te hebben gemaakt, had Steyn haar moeder gezien van drie al groote

Sluiten