is toegevoegd aan uw favorieten.

Van oude menschen, de dingen, die voorbijgaan ...

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Ik word geen honderd, zei de oude vrouw. Neen. Ik sterf dezen winter.

— Dezen winter?

— Ja Ik zie het voor me. Ik wacht.

Maar ik ben wèl angstig .

— Voor den dood ?

— Niet voor den dood. Maar voor hem.

— Geloof je dat je hem terug ziet ?

— Ja. Ik geloof aan God, aan terug-zien. • Aan leven hierna. Aan vergelding. j

— Ik geloof niet aan vergelding hierna, omdat wij beiden al sedert ons leven zoo veel hebben geleden, Ottilie! smeekte de oude man bijna.

— Maar er is geen straf geweest.

— Ons leed was straf.

— Niet genoeg. Ik geloof, dat, als ik gestorven ben hij, hij me zal aanklagen.

— Ottilie, we zijn zoo oud geworden, kalm, kalm aan. Wij hebben alleen inwendig moeten lijden. Maar dat is genoeg geweest, dat zal God straf genoeg vinden. Wees niet bang voor den dood.

— Ik zoü niet bang zijn, als ik zijn gezicht had gezien, met een zachtere uitdrukking, met iets van vergeven. Hij heeft me altijd aangestaard O, die oogen ... t

— Stil, Ottilie .... ,