Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hem pijn; zijn maag deed hem pijn, door zijn

verdorde beenen schoten de scheuten

O hoe lang zoü het nog duren, dat hij ze

zien zoü, de dingen? Ze gingen, ze gingen

en talmden, talmden steeds .... O, waarom

zij toch niet snéller gingen Yan dat hij

een ventje was geweest, van dertien jaren, een vroolijk, speelsch ventje, dat speelde met bloote voeten in de rivier voor het assistentrezidentie-huis, blij om vruchten en vogels en dieren, blij om heel het vroolijke kinderleven van een kind op Java, dat spelen kan op groote erven, bij stroomende wateren, en in groote, rood bloeiende boomen klimt. Maar van het oogenblik af— een zwoele nacht, nachtlucht dreigende eerst en toén uitstortende pletterzwaren regenvloed — van het oogenblik af, dat hij de dingen gezién had, de eerste dingen, het eerste vreeselijke Ding.... van d&t oogenblik was een verbijstering over zijn teêre hersens gekropen, als een monster, dat het kind, neen, niet had verpletterd, maar het sedert

altijd bezeten had, in zijn klauwen Als

een vizioen, èlle de jaren van zijn leven, had hij het Ding weer zien oprijzen, het vreeslijke Ding, dat daar gebaard on geboren was, in dien nacht, toen hij, zeker wat koortsig, niet had

Sluiten