Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— O God, o God, het bliksemt.... O, wat een slag, wat een slag!

De bergen, tal van malen, weerkaatsen den donder, die rollen blijft. Als scheuren de regenzeilen, watervalt de vloed neêr

Het kind hoort den gil van zijn moeder.

— Stil, stil, Ottilie!

— Ik kan niet meer, ik val flauw!

— Hou je stil!! Hou hem vast aan zijn been ! Baboe, jij, het andere been!!

— Er is bloed, op den grond....

— Veeg het af !

— Straks, o straks, Kandjeng Nu naar

de rivier....

— O God! O God!!

Het kind klappertandt en zijn oogen puilen en zijn hart bonst, in koorts. Hij is doodsbang, maar hij wil ook zien. Hij begrijpt niet, en vooral wil hij zien. Zijn kindernieuwsgierigheid wil het vreeslijke Ding zien, dat, wat hij nog niet begrijpt. Stil, op bloote voeten, sluipt hij door de donkere galerij. En in den nachtsche-

mer van buiten ziet hij! Hij ziet het

Ding. Een weêrlicht, vreeslijk: een donderslag, of het gebergte in elkander stort

Hij heeft gezien!! Hij ziet nu maar na de vaagte, het vage voortbewegen van iets,

Sluiten