Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

oogenblik had troost willen vinden, en die hem alleen had geliefkoosd, herwon hij tegelijkertijd. En hij streelde haar op zijne beurt en gaf haar een innigen zoen.

— Wij arme menschjes! zeide hij. We

doen en denken soms zoo vreemd We

zijn wèl heel ziek en heel oud zelfs al

zijn we nog jong. Mama, ik moet eens érnstig

met u spreken Maar érnstig, hoor. Een

anderen keer. Neen, nu niet; nu moet ik

werken Laat mij nu alleen en wees

kalm en lief. Heusch, ik ben weêr in

orde.... Doet u nu niet meer als een kleine furie....

Zij lachte in zich, met leedvermaak.

— Ik heb toch de vijftig pond verzonden! zeide zij, achter de al opene deur.

En zij was gegaan.

Hij schudde het hoofd

— Over haar! dacht hij, zijn beweging voor zich analyzeerend. En .... over mij. Over mij nog meer. Wij arme.... ëirme menschen. We moesten ' &llen maar onder curateele, maar van wie ....? i Kom.... het béste is maar te gaan werken, . veel te werken, altijd te werken....

Sluiten