Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kunnen verlaten. Ik hoü van mama. Ik weet niet waarom, moeder ig zij weinig voor me geweest. Toch hoü ik van haar, heb ik dikwijls met haar medelijden. Ze is een kind, een bedorven kind. Ze is overstelpt geworden, in haar jeugd, met éene enkele adoratie. De mannen waren gek op haar. Nu is ze oud, en wat heeft ze over? Niets en niemand. Steyn en zij zijn hond en kat. Ik beklaag Steyn, maar ik lijd soms voor mama. Het is iets vreeslijks om oud te worden. Vooral voor een vrouw, als zij is geweest; voor een vrouw — laat ons het ronduit zeggen — van liefde. Er is in mama nooit iets geweest dan liefde. Ze is een eenvoudige vrouw; ze heeft behoefte aan liefde en liefkoozing, zóo, dat ze conventie niet heeft kunnen volhouden. Zij achtte die niet langer dan tot een zeker punt. Had zij lief, dan volhardde ze.

— Maar waarom is ze getrouwd. Ben ik getrouwd? Ik heb ook lief.

Ottilie .... mama leefde in een anderen tijd. Men trouwde toen. Men trouwt nu nog. Elly en ik zijn getrouwd.

— Ik heb er niets tegen, als je wéét, dat je elkaar hebt gevonden voor het leven. Wist mama dit van éen van haar drie mannen? Ze is op alle drie dol geweest.

Sluiten