is toegevoegd aan uw favorieten.

Warhold

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den wever, die als familiaris van de Sint Paulusabdij in eigen huis buiten de conventssloot tapijten en kerksieraden voor het klooster maakte; en vele avonduren verpoosde hij zich daar, tot praatgezellen wijze mannen, met wie hij doolde door de kronkelgangen der wetenschap.

Zoo zaten zij thans weder, Hubertus en "Warhold, op de bank voor 't huis, breed in den over de borst gevouwen mantel en tusschen hen in Martinus, de aartsdiaken, die het priesterkleed om 't kleine lijf verwrongen hield, want het was lentekoel.

Aan de hoekzijden van het huis gingen klimplanten op, al bladervleugelend over het afdak, — -vanwaar de ranken heen en weder zwierven. En voor hen gleed een weide, in haar vlakking afgerand door vaarten en verder door een beek, die als een banderol langs hoeve-erven zwierde en dan langs een eik, welks takken de bladeren in de avondzonne te vergulden hingen.

Gewoon aan het huiszittend leven gaf Hubertus in gelatenheid zijn meening over der stede samenleving.

Zijn grijze haren, hoog op over den schedel, vielen in 't breede achterwaarts en kwamen langs de ooren weer terug in zijn grijzen baard, die dicht om zijn mond en langs zijn kaken groeide, zóó, dat het onbehaarde meelbleek als in omwindingen van grijzig mos lag.

Afgemeten bewoog hij den arm ter begeleiding zijner woorden. Eentonig liep zijn klagen af.

Voornamelijk haatte hij lijfeigenen, die vrij ge-