is toegevoegd aan uw favorieten.

Warhold

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

links af en stond voor 't Lofen, het bisschoppelijk hof, welks oostelijke vleugel sinds de verwoesting voor dertig jaren aangebouwd was, terwijl aan het andere gedeelte de transen als afgestompte tanden tegen den hemel kartelden. Door woest geslagen gaten was een doorkijk op zonnelichte leegte en op puinhoopen van grijzig gruis en verminkte pijlerbrokken en buiten waren nog verbrijzelde zijtorens, waar de ijzren binten zichtbaar kwamen.

Warhold trad in het oostelijk gebouw en in den gang ontmoette hij den meier, die in een langen lijfrok van versleten bruin fluweel rumoerig Sprak, dat er zoovelen op den bisschop wachtten. Alle kamers waren reeds betreden. Maar den sleutelbos in de handen nemend, wenkte hij en liep vooraan, haastelijk zeggende, dat er misschien nog eene kamer was. En een deur openend, liet hij al buigend "Warhold binnen.

Hij kwam in een lang vertrek, welks witte wanden, laag belicht door kleine kruisboogramen, blauwig schemerden achter de schaduwlagen. En in 't midden aangetreden, boog hij in het statige, door kap en schouderdoek bezwaard habijt voor eene edelvrouw, die aan den wand zat in een doffig-rood gewaad, luchtig behangen door een overkleed zonder mouwen van wit diasper, een fijn-wollen stof. Haar gelaat, bruin-rood getint, was aan de slapen ingedrukt en aan de kin schielijk toeloopend tot een eivorm; en van haar dun bewanden neus gingen de trekken fijn en sterk. Haar diepzwarte oogen,